VERKIEZING – Kandidaten |
![]() |
Domenica Ghidei BiiduGeïnterviewd door Lieke Boersma
Domenica Ghidei Biidu (1962) kwam op haar zeventiende jaar, zonder ouders, uit Eritrea naar Nederland. Van 1985 tot 1991 studeerde ze rechten. Domenica Ghidei Biidu is lid van de Commissie Gelijke Behandeling en was plaatsvervangend rechter sectie bestuursrecht bij de Arrondissementsrechtbank in Amsterdam. Tevens is ze ambassadeur van het Forum voor Democratische Ontwikkeling (FDO), en , en voorzitter van African Diaspora Policy Centre (ADPC). Ze schreef het boek ‘Door het Oog van de Naald’ (1995) en kreeg de Clara Meijer-Wichmann Penning ( 1995).
Wat heeft jou gevormd?
Het land waar ik ben geboren en opgegroeid, Eritrea, en de mensen die daar leven hebben mij gevormd. Het leven in Asmara, de hoofdstad, waar ik woonde, was heel gevarieerd en modern. Nog geen half uur verderop leefden er mensen in dorpen zonder stromend water en elektriciteit. De vrouwen moesten kilometers lopen voor brandhout dat ze op hun rug moesten vervoeren. Het contrast tussen de stad en de naaste omgeving was dus erg groot. In de stad kon je comfortabel met veel luxe leven zonder je daarvan bewust te zijn.
Mijn moeder en hoe zij in het leven stond hebben mij ook gevormd. Zij nam altijd haar verantwoordelijkheid ten opzichte van haar familie en de samenleving. In de stad ontdekte ze wat economische zelfstandigheid betekende en zij ging hard werken om haar familie te onderhouden. Mijn moeder was ook een levensgenieter, zij stond ondanks veel tegenslagen altijd vrolijk en positief in het leven. Ze was niet onder de indruk van hiërarchische verhoudingen; ze had ook vriendinnen uit heel veel verschillende achtergronden. Die nieuwsgierige open blik heb ik van mijn moeder. Het in staat zijn door hiërarchieën, geloofsovertuigingen en achtergronden heen te prikken en in elk mens iets spannends en leuks te zien, heb ik van mijn moeder/haar.
Wat zijn bepalende momenten geweest in jouw leven?
Wat bepalend is geweest is opgroeien in een huishouden met twee moeders; een blanke Italiaanse vrouw en een zwarte Eritrese vrouw. Dat heeft mijn identiteit gevormd. Ik vergeet soms wat mijn kleur of identiteit is. Geloof heeft me gevormd: de oude katholieke en koptisch Orthodoxe waarden en normen en hoe mensen daarbinnen keuzes maken. In Eritrea, in mijn directe omgeving heb ik geleerd welke normen vast staan, maar ook welke aan tijd en omgeving gebonden zijn waardoor je als individu keuzes maakt en schakelt op voorwaarde dat je de onderliggende waarden niet uit het oog verliest. Zo ook binnen die Godsdienst. In de naam van God zijn er verschrikkelijke dingen gebeurd, maar ook veel mooie dingen die grensoverschrijdend zijn. Waar ik ter wereld ook terecht kwam Khartoem, Rome of Amsterdam, ik was altijd welkom in de kerk al kende ik niemand en daar voelde ik me thuis.
Hoe kwam het dat je werd opgevoed door twee moeders en hoe heb je dat ervaren?
Mijn vader en mij moeder hadden een relatie, maar het was meer een vriendschap en daaruit ben ik ontstaan. Mijn biologische ouders bleven wel vrienden maar mijn vader had een ander gezin. Mijn moeder werkte voor een Italiaanse vrouw die geen kinderen kon krijgen en daarom heeft ze aan mijn moeder gevraagd of ze kon mee helpen om mij op te voeden. Dat vond mijn moeder goed. Ze waren werkgever/werknemer, en mijn biologische moeder was zich bewust van de verhoudingen. Omdat deze twee vrouwen mij samen opvoedden waren ze emotioneel afhankelijk van elkaar. Ze hadden niet alleen een werkrelatie, maar ook een vriendschap. Dat is heel subtiel gegaan en het heeft me gevoed. Voor mij was het heel natuurlijk om twee moeders te hebben. Door mijn Italiaanse moeder is mijn eerste taal Italiaans. Achteraf gezien vind ik het heel knap van mijn moeder dat ze zich nooit gepasseerd heeft gevoeld omdat er een andere vrouw was die ik ook ‘mama’ noemde en ook op die manier lief had, althans daar heb ik nooit iets van gemerkt.
Je groeide op in een omgeving met verschillende religies. Hoe werkte dat in de praktijk?
Er bestaan in Asmara, de stad waar ik opgegroeid ben, verschillende religies naast elkaar. Doordat je naast elkaar leeft ga je je in elkaars ruimte begeven. Via je vrienden kom je in de wereld van andere mensen en accepteer je die verschillen in religie ook.
Mijn tante is getrouwd met een Islamitische man uit Jemen. Zij was Christen maar is later ook moslim geworden. Als wij daar op visite gingen werden er altijd twee schapen ritueel geslacht, één voor de Islamieten en één voor de Christenen, maar we aten wel in dezelfde ruimte. We leerden zo dat we rekening moesten houden met elkaar en dat het samenzijn er niet minder op werd. Mijn moeder deed daar ook niet moeilijk over als ik bijvoorbeeld bij mijn tante ging logeren. Ze zei: ‘Jij bent een kind, eet jij maar met die andere kinderen mee.’ Mijn tante hoefde niet apart eten voor mij klaar te maken. Zo ging dat ook als mijn nichtje kwam logeren.
Hoe kijk jij, in deze context, naar de discussie die gaande was in Nederland over de Imam die de hand van vrouwen niet wil schudden?
Het gaat om waarden zoals vriendelijkheid, erkenning en iemand welkom heten; dat kan iedereen op zijn eigen manier doen. Zo lang de intrinsieke waarde van wat je doet helder is, vind ik hoe je iets doet niet zo belangrijk. Binnen die gezamenlijke waarden maak je voldoende ruimte om met elkaar te praten, vertellen wat je met de rituelen bedoelt, maar je moet niemand iets opdringen.
Ik ben geen voorstander van regels. Ik vind waarden zoals respect, acceptatie en nieuwsgierigheid veel belangrijker. Hoe je iets doet is een ritueel en in de vertaling en strategie ervan moet ruimte zijn. Ruimte om pijn te voelen, fouten te benoemen en anderen te corrigeren. Het hoort er allemaal bij. Er moet een moment zijn dat we de waarden herkennen en dat we open genoeg zijn om te zien welke regels en rituelen daarbij aansluiten. Het is belangrijk dat je bereid bent om open en nieuwsgierig te kijken naar de ander en te vragen: ‘welke waarden zijn belangrijk voor jou?’ En te zeggen: ‘Zo is het voor mij,’ zonder te verwachten dat die ander zomaar verandert. Verwachtingen kunnen niets veranderen, want de ander is en blijft autonoom. Het antwoord van de ander zal wel de kwaliteit van de relatie beïnvloeden en dat is waar een dialoog mogelijkheden biedt tot toenadering.
Ik heb geleerd dat boosheid hoofdzakelijk met mezelf te maken heeft. Die woede voel ik omdat ik behoefte heb aan iets dat ik op dat moment niet krijg. Het is mijn eigen behoefte. Het enige wat ik van die ander kan vragen is of ze mij daarin willen ondersteunen, of tegemoet willen komen. Tenzij ik de macht over anderen denk te hebben. Dan nog is wat ik krijg niet blijvend, want ik heb het niet uit vrijheid gekregen. De ander zal proberen het terug te krijgen of ervoor te zorgen dat ik er niet van kan genieten. De ander heeft altijd de mogelijkheid om ‘nee’ te zeggen en dan is het aan mij om te kiezen wat de consequenties van dat antwoord zullen zijn. Dat is moeilijk want we zijn gewend om te claimen, maar we moeten proberen dat juist niet te doen.
Vanuit welk vertrekpunt maak je keuzes?
Ik weet niet waar ik naar toe ga, maar ik weet wel wanneer ik me goed voel en wanneer iets klopt. Bij de keuzes die ik maak probeer ik te beoordelen of ik loyaal ben aan mezelf, en mijn waarden, mijn kinderen, mijn collega’s, of het doel waar ik naar streef. Op het moment dat ik een keuze maak is die goed, maar of dat in de toekomst nog zo is weet ik niet en kan ik ook niet weten. Mijn vertrek punt is: is deze keuze congruent met mijn waarden nu? Die waarden hebben hun eigen regels in een bepaalde situatie. Er wordt bijvoorbeeld vaak gezegd dat vluchten geen keuze is omdat je wordt gedwongen om te vluchten. Dat je gedwongen wordt door omstandigheden is een gegeven, en toch is dat een keuze: de keuze om te vertrekken. Of de keuze nu instinctief is, uit angst of uit vrijheid, ik draag er zelf verantwoordelijkheid voor. Ik vind het belangrijk dat ik zolang ik leef besef dat ik kan kiezen.
Je bent commissielid en dan zijn je keuzes gebonden aan regels van andere mensen. Hoe ga je daarmee om?
Er zijn regels die mij heel weinig ruimte geven, maar het is aan mij om de regels zo te interpreteren en in een concrete situatie toe te passen zoals de geest van de wet het ook bedoelt heeft. Die zoektocht maakt mijn werk boeiend en daardoor kan ik vrede hebben met de normen. Op het moment dat ik geen handtekening onder een oordeel kan zetten zet ik hem niet en daar draag ik dan de consequenties van. Ik neem er de ruimte voor om die keuze te maken. Het is mijn keuze en ik geef niemand anders de verantwoordelijkheid. Zo is het ook in rest van mijn leven.
Ik vind het belangrijk dat ik open blijf naar de ander en hem of haar tegemoet kom. Ik ben verantwoordelijk voor mijn eigen gevoelens en behoeften en daarbij blijft er een deur open voor de ander. Als mensen en levende wezens op deze aarde zijn wij onderling verbonden. Iemands gedrag kan ik afschrijven maar ik wil niemand als persoon afschrijven. Iedereen kan veranderen en daarvoor heb ik altijd een open plek.
Hoe vertaal je deze persoonlijke waarden naar je werk?
In de functie van commissielid kies je niet voor één partij maar sta je voor gelijke behandeling. Regels zijn er om bepaalde waarden te beschermen en om deze vervolgens in concrete situaties te kunnen realiseren. Deze waarden zijn onder andere gerechtigheid, toegankelijkheid, participatie, ontplooiing en gelijkwaardigheid. In de dagelijkse praktijk gaan we vanuit deze waarden ons leven vormgeven. Het is aan ons, commissieleden, rechters, en andere organen in de samenleving die de taak hebben gekregen, om te interpreteren wat de geest is van die waarden en dat op de meest duidelijke manier uit te leggen aan de burgers. Het is een zoektocht: hoe ga je de feiten wegen en wat voor invloed heeft deze beslissing op iemand anders? Je maakt een afweging en dat is waar op ik afgerekend wil worden.
Waar het om gaat is: door de eeuwen heen worden regels gemaakt om waarden te waarborgen. De regels overlappen en concurreren en dat is de moeilijkheid. Om het moment dat het botsende waarden zijn: welke heeft er dan voorrang in een bepaalde situatie? Dat moet je als commissielid zo uitleggen dat het voor de ander te volgens is, het zal niet altijd acceptabel zijn. Op het moment dat je als bestuurder transparante keuzes maakt zullen mensen je beslissingen steunen al zijn ze het er niet helemaal mee eens.
Veel (overheids) instanties houden vast aan dezelfde regels en normen. Wat is volgens jou de beste manier om vernieuwingen door te voeren binnen dit soort instanties?
Instituties hebben tradities, en zijn langzaam en gelaagd opgebouwd. Ze hebben daardoor heel oude dikke wortels. Veranderingen inbrengen kan niet snel. De instanties moeten zorgen dat ze blijven bestaan. Ze hebben hun bestaan bevochten en gelegitimeerd. Op het moment dat er veranderingen doorgevoerd worden bestaat het gevaar dat je de wortels van deze instanties ter discussie stelt die misschien wel de instituties groot gemaakt hebben, en waarop hun identiteit gebaseerd is. Wat heel belangrijk is dat er wel ruimte bestaat om een gesprek aan te gaan, alleen weten we niet hoe we die ruimte moeten benutten. Mensen binnen deze instanties zijn wel degelijk op zoek en aanspreekbaar als je dit op de juiste manier doet. Mijn indruk is dat er buiten de instituties dingen gebeuren waardoor ze wakker worden en geïnspireerd raken. Op het moment dat je alleen gericht bent om anderen te veranderen werkt het niet. Je moet door middel van je eigen creativiteit anderen inspireren en laten zien dat regels iedere keer opnieuw gemaakt kunnen worden. Mensen veranderen pas als ze zich openstellen en nieuwsgierig zijn dus moet je ze uitnodigen, uitdagen, wakker schudden en verleiden door middel van je eigen autonomie, creatieve proces en lef. |
