VERKIEZING – Kandidaten |
![]() |
Hany Abu-Assad
Geinterviewd door Quirine Vervloet
Hany Abu-Assad werd geboren op 11 oktober 1961 in Nazareth. In 1980 vertrok hij naar Nederland om daar in 1985 af te studeren als vliegtuigbouwkundige. In 1992 volgde een debuut als filmmaker waarna Hany Abu-Assad verschillende films maakte waaronder in 1993 Paper Hous, een korte film over zijn jeugd ervaring, de speelfilm Het Veertiende Kippetje, en in 2005 Paradise Now, de bekroonde film over twee jonge Palestijnse vrienden die worden uitverkoren om een zelfmoordaanslag uit te voeren. Hany Abu-Assad beantwoordt vanuit Los Angeles onze vragen in een mooi en integer telefoongesprek.
Wilt u zichzelf voorstellen; iets vertellen over waar u bent opgegroeid?
Ik ben geboren in Nazareth, in Noord-Palestina, waar Jezus ook is opgegroeid. Het is een belangrijke stad voor Christenen, maar ik was moslim. Dat was een leerzame contradictie, want Nazareth is eigenlijk een ongelooflijk tolerante stad. Angst voor anderen is makkelijk te misbruiken, maar ik heb daar vooral geleerd ook de goede dingen in de ander zien. In het Oosten heb ik meer tolerantie ervaren dan in het Westen.
Hoe komt dat?
In het Oosten wordt eerder geaccepteerd dat mensen een ander geloof hebben. Dat heeft te maken met ervaring. Het Oosten had veel eerder te maken met verschillende religies dan het Westen. Daarom is de tolerantie in het Oosten ook veel verder gevorderd dan hier. Als je naar de geschiedenis kijkt, dan zie je dat Europa zeventig jaar geleden pas te maken kreeg met de ander: toen waren het de joden. Nu zijn het de moslims in Europa die er anders uitzien.
Terug naar Nazareth, daar bent u opgegroeid, maar op een gegeven moment bent u naar Nederland gegaan…
Na de middelbare school ben ik naar Nederland gekomen om te studeren. Ik heb vliegtuigbouwkunde gestudeerd aan de HTS in Haarlem. Als Palestijn in Israël kun je geen vliegtuigbouwkunde studeren. Dat maakte de studie juist interessant: “hoezo mag ik dat niet studeren?” Daarnaast was het een heel chique beroep in de jaren ’80.
Wat waren de verschillen tussen de plek waar u vandaan komt en de plek waar u terecht kwam?
Allereerst het weer: het was in Nederland veel kouder. Omdat het zo koud is, is er weinig leven op straat. Nu is het beter trouwens, toen waren er nauwelijks terrasjes, alleen in de zomer. In Palestina is door het warme weer iedereen op straat. Dat is één groot verschil. Op het eerste gezicht lijken daardoor ook de contacten kouder in Nederland, maar dat is een vooroordeel. De contacten zijn niet koud, ze zijn alleen anders. Ook hier geven mensen om elkaar, maar ze laten het anders zien.
U heeft door die verschillende contexten gezien dat een eerste oordeel niet alles over een ander vertelt, heeft dat invloed gehad op de manier waarop u anderen laat zien in uw werk; de openheid om anderen te willen begrijpen?
Ja, klopt. Maar ik weet niet of het invloed heeft gehad op het begrijpen van mensen die anders denken. Tolerantie is niet alleen anderen accepteren, maar ook de lasten van de anderen accepteren. In sommige gevallen is dat makkelijker dan in andere. Bijvoorbeeld homoseksualiteit, dat is makkelijk te accepteren want ik heb er geen last van. Wat heb ik ermee te maken dat twee mensen op aarde seks met elkaar hebben? Maar ik heb er bijvoorbeeld wel last van als de moskee om vijf uur mensen wakker maakt. Ik word ook wakker gemaakt, maar toch tolereer ik het. Tolerantie is dat je last hebt van de ander, maar hem toch accepteert.
In Nederland staat tolerantie ten opzichte van immigranten steeds vaker ter discussie, hoe kan tolerantie in deze tijd gestimuleerd worden?
De meeste mensen zijn tolerant, maar er is veel onvrede. Veel mensen weten met die onvrede om te gaan en tolerant te blijven. Daarom moeten we niet het beeld schetsen dat Nederland niet tolerant is. Wel is het zo dat de politiek misbruik maakt van onvrede en het projecteert op één groep mensen. Terwijl de echte onvrede wordt veroorzaakt door het economisch-sociale systeem, door de consumptiemaatschappij. De consumptiemaatschappij verwijdert mensen van elkaar. Vroeger was er een veel socialer systeem. Er werd onderling afgesproken bij elkaar, je voelde je meer thuis. Nu heerst er een gevoel van ontheemding. Men voelt zich steeds minder thuis en steeds minder veilig in deze maatschappij. Het gezicht van deze verandering zijn de nieuwkomers: moslims, Turken, Marokkanen. Terwijl hun komst eigenlijk een bijproduct is van de veranderingen. Dat is heel moeilijk uit te leggen aan mensen, veel gemakkelijker is het om van die groep het gezicht van de onvrede te maken. Hetzelfde gebeurde eerder al met de joden. Dat is wat er nu gaande is, hoewel ik niet denk dat het zo ver komt als toen, dat is onmogelijk.
Kunt u iets doen om de beeldvorming van de ander, zoals die nu ontstaat, te veranderen? Bent u daarin een rolmodel?
Ik kan niet zeggen wat er moet gebeuren. Het is niet mijn specialiteit of vak. Ik kan die verantwoordelijkheid ook niet dragen. Daarvoor zou ik veel meer moeten studeren en ik ben geen politicus, ik ben kunstenaar. Dat ik een rolmodel ben geworden, daar kan ik niets aan doen, dat is buiten mijn macht. Maar ik begrijp dat wel. Ik heb zelf immers ook mijn voorbeelden gehad, helden die invloed op mij hadden ondanks dat ik ze niet persoonlijk kende. Toen ik jong was, was het Che Guevara, later Wim T. Schippers, die mij inspireerde als mens, niet alleen als kunstenaar. Hij durfde anders te denken en te kijken.
Marokkaanse jongeren in Nederland, opgegroeid in een verhaalcultuur, zoeken helden. Ze missen die voorbeelden in de huidige omgeving. Positieve voorbeelden zijn nodig om tegenwicht te bieden aan de beeldvorming door media en politiek. Zou jij niet een geweldig voorbeeld zijn van de mogelijkheid om zelf regie te voeren over je eigen leven; de eigen ontwikkeling?
Ik ben het helemaal eens met die analyse. Alleen wil ik benadrukken dat mijn bereik als kunstenaar heel klein is. Uit de geschiedenis blijkt ook dat het moeilijk is om vanuit de kunstwereld mensen te mobiliseren. Hier en daar beïnvloeden we processen. Ik zie het meer als een bijproduct van de kunst dat mensen meer inzicht krijgen, bijvoorbeeld in de ander. Ik maak dan ook geen kunst om meer inzicht te krijgen in de ander, maar om meer inzicht te krijgen in mijzelf. Het doel is niet om mensen te laten zien “goh, zo kan je het ook zien”, het echte doel is om dichter bij de eigen angst te komen. Als je terugkijkt in de geschiedenis van de kunst, bijvoorbeeld de grottekeningen van Altamira in Spanje van dieren die ons bedreigden, dan zie je dat die al uiting geven aan angsten. In de kunst kom je dichter bij de angsten dan in de werkelijkheid, waardoor je beter inzicht krijgt in jezelf én in de anderen. Ik maak dus geen kunst om het conflict in Palestina uit te leggen, aan Nederlanders of wie dan ook. Ik heb persoonlijk last van dat conflict en de angst die ik ervaar probeer ik zichtbaar te maken. Het bijproduct is dat het ook voor anderen veel effect kan hebben.
Wat zijn jouw angsten op dit moment?
Ik ben het afgelopen jaar optimistischer geworden. Ik dacht dat het heel slecht ging met de wereld, bijvoorbeeld in economisch opzicht. De kloof tussen rijken en armen in de samenleving is zo groot. Die kloof zal nog groter worden, maar er zijn correcties aan het plaatsvinden. Kleine kernen van correcties. Er zijn over de gehele wereld zaadjes aan het groeien. De tendens van het systeem is uiteindelijk nog steeds om te vernietigen, maar er zijn zaden die hoop geven. Ik zie bijvoorbeeld dat er veel specialisten zijn die weten hoe het moet, hoe veranderingen kunnen komen. Dat had ik zeven jaar geleden niet geloofd. Kijk ook maar eens naar films zoals ‘The 11th Hour’, ‘The End of Poverty?’, en ‘Flow’, dat zijn voorbeelden van de zaadjes waarover ik spreek.
Je hebt in verschillende omgevingen geleefd, Palestina, Nederland, Amerika, wat heb je van die contexten meegekregen?
Uit Palestina heb ik de tegenstellingen die je leren om te gaan met verschillende achtergronden meegenomen. Bijvoorbeeld joden die net als alle andere mensen in wezen een goede leefomgeving willen, een toekomst voor hun kinderen. Het zijn goede mensen, maar door het systeem leren ze om niet-Joden als bedreiging te zien. Door die tegenstellingen zag ik heel gauw de tegenstrijdigheden die in mensen leven. Van Nederland heb ik andere dingen gekregen. Het allerbelangrijkste is dat kennis makkelijk te bereiken is. Er zijn bioscopen, theaters, bibliotheken. Daar leer je heel veel van, je leert daardoor ook anderen begrijpen. Doordat je boeken leest leef je je in een ander in. Ik moet nog afstand nemen om te kunnen zien wat ik meekrijg uit Amerika. Ik zie ook niet Amerika als geheel, ik zie alleen Los Angeles. Los Angeles geeft het voorbeeld van waar we allemaal naar toegaan met ons systeem. Een ontwikkeling die ik ook in Nederland zie. Het oude systeem hield in met elkaar beter te worden, of beter te zijn voor de ander. Maar hier streven mensen om beter te worden dán de ander. Hier gaat het om concurrentie: mooier te zijn dan de ander, succesvoller, beroemder. Geloof me, het is een nachtmerrie. Ik merk dat ik er ook onderdeel van word. Dan kom je met je nachtmerrie in aanraking, zo ervaar ik dat. Ik geloof niet dat het heel Amerika is, maar ik ervaar elke dag een samenleving die constant en alleen maar bezig is met zichzelf. Van buiten ziet het er uit als een paradijs, maar van binnen merk je dat iedereen om je heen ontzettend onrustig is en alleen bezig met zichzelf.
Welke competenties denk je dat we nodig hebben om in deze wereld goed te kunnen functioneren, maar vooral ook gelukkig te zijn?
Dat is een moeilijke vraag. Geluk is moeilijk meetbaar. Ten tweede is geluk ook heel beangstigend. Mensen kunnen moeilijk omgaan met hun geluk: op het moment dat ze het kunnen bereiken hebben ze de neiging om het te verliezen.
Maar als je het hebt over klein geluk, afwezigheid van onbehagen?
Het allerbelangrijkste om een goede samenleving te krijgen is acceptatie van sterfelijkheid. In een Oosterse samenleving wordt respect voor ouderen hoog gewaardeerd. De huidige Westerse samenleving vereert jeugdigheid, terwijl juist het streven om ouder te worden centraal gesteld zou moeten worden. Acceptatie van ouder worden zou dan ook makkelijker zijn. Als je jeugdig bent besef je niet wat jeugdigheid inhoudt. Je bent nog zo onzeker. Je begrijpt het niet omdat je te jong bent, dus eigenlijk leef je het niet echt. Waarom zou je dan niet het ouder worden als doel nemen? Nu zijn er zoveel mensen die na hun dertigste merken dat ze de jeugd niet echt geleefd hebben, zij proberen het dan alsnog in te halen. Een betere samenleving vraagt daarnaast ook een betere omgang met elkaar. We hebben elkaar nodig om te overleven. Het is een contradictie, natuur is belangrijk: we willen overleven, maar om te overleven hebben we de samenleving nodig. Het belangrijkste daarbij moet zijn om niet te streven beter dán de ander te worden, maar beter vóór de ander. Dat is een eeuwenoude gedachte die Jezus ook al had.
|
