Nieuw cultureel burgerschap, Stichting InterArt, Arnhem

 

VERKIEZING – Kandidaten


Funda Mujde

Geïnterviewd door Sanne Verdonck

 
‘Kom maar binnen, ik heb de deur alvast open gezet’. Drie trappen hoog worden we hartelijk ontvangen. Met koffie en thee gaan we lekker op het balkon zitten. Het uitzicht, het mooie weer en de gastvrijheid van columniste, cabaretière, actrice en presentatrice Funda Müjde geeft ons haast een vakantiegevoel. Een mooi begin van een indrukwekkend gesprek over vaderlandsliefde, meten met twee maten en de mens achter het uiterlijk blijven zien: ‘Mijn moeder woont hier al 36 jaar. Ze wéét niet eens hoe slecht Nederland over haar praat. Zij ligt er niet wakker van. Wij liggen er wakker van, want wij weten hoe veel ze om dit land en om het koningshuis geeft. Wij weten dat ze niet terug wil, hoe dankbaar ze is. Dat ze zo ongelofelijk veel van Nederland houdt.’
 
Funda, waar ben je opgegroeid?
 
Ik ben geboren in Turkije en getogen in Nederland. Mijn vader ging in 1965 als gastarbeider naar Zaandam. We waren een van de aller-, allereerste Turkse gezinnen die hier kwamen. Onder druk van mijn moeder, die na vier jaar alleen zijn wilde dat hij terugkwam.
 
Maar hij kwam niet terug…
 
Hij had nog niet genoeg gespaard. Dat is het verhaal van heel veel gezinnen. Ze zijn ook met tijdelijke contracten geworven en zij hadden het idee hier geld te sparen en later in Turkije een winkel te beginnen, land te kopen of een tractor aan te schaffen. Dat bleek een illusie.
Een persoonlijke reden van mijn vader om te gaan, was om iets van de wereld te zien. Toen hij hier kwam dacht hij vooral: jeetje, wat een schoonheid. Al die regels, al die vergunningen. Alle mensen eten hier gewoon om zes uur en er is een wasdag. Dat vond hij geweldig, die discipline. En het sociale stelsel dat iedere Nederlander, ongeacht wie je bent, op kosten van de staat mocht doorstuderen als je wel de hersens had maar niet het geld. Hij was zo vóór onderwijs. Vooral de meiden moesten in zijn ogen nog meer ondersteund worden om te studeren en economisch onafhankelijk te worden.
Elke zondag gingen we Nederland verkennen met mijn vader. Naar het museum, het zwembad, Madurodam. Overal gingen we naartoe. Voor onze algemene ontwikkeling. Hij had heel geëmancipeerde opvattingen. In die tijd was dat zelfs bijzonder voor Nederlandse mannen, omdat de schoolcarrière van hun dochters vaak ondergeschikt was aan het reilen en zeilen in het gezin.
 
Je was drie toen je vader wegging en zeven toen je hier kwam. Wat neem je dan mee uit Turkije?
 
Veel. De eerste klas: leren lezen, schrijven, rekenen, tafeltjes uit je hoofd kennen. Na de basisschool hier kregen mijn tweelingzus en ik automatisch huishoudschooladvies, omdat we ‘als we zestien waren toch wel in de fabriek zouden gaan werken’. Mijn vader heeft toen een (voor hem best dure) test laten doen bij een beroepskeuze-instituut. We leerden heel makkelijk, maar ze hebben mijn vader, die al blij was met het verschil met de huishoudschool, overgehaald om ons naar de mavo te laten gaan. Ik werd drie jaar lang aan het lijntje gehouden dat ik met Kerst de overstap kon maken naar de havo, omdat mijn cijfers zo goed waren. En elke keer was het: ’ach ze gaat zo lekker en ze heeft haar vrienden hier en we moeten de tweeling niet uit elkaar halen.’
Mijn zus en ik wilden hoe dan ook na de mavo naar de havo. Uiteindelijk belandden we op de havo en één leraar vroeg mijn zus om na de havo 4 gelijk over te stappen naar atheneum 5. Dat heeft ze gedaan, na liefdevol aandringen, en ze kon haar droom om Frans te studeren toch waarmaken. Maar in plaats van de lerarenopleiding Frans, werd het de universiteit. Deze leraar heeft zonder vooroordelen over de arbeidersklasse naar haar gekeken en in haar geloofd. Daar zijn we hem nog dankbaar voor.
 
 
Wat ging jij studeren?
 
Ik ging fysiotherapie studeren. Ik vond de medische wereld geweldig! Van jongs af aan trok ik alle tanden van de kinderen thuis en verzorgde ik alle wonden.
Maar ik had nog een liefde in mijn leven: toneelspelen. Als ik snel naar de winkel moest, dan deed ik alsof ik achtervolgd werd. Toen ik studeerde werd ik als actrice ontdekt bij het semi-professioneel Turks theatergezelschap waarin ik speelde. Daar zag ik ook hoe mijn Turkse taal achter was gebleven ten opzichte van andere spelers. Ik ben toen gestopt met fysiotherapie. Voor het geval ik een beroemd actrice zou worden in Turkije, ben ik de leraar- en vertaalopleiding gaan doen. En ik was daar fucking goed in. Alles wat ik aanpakte ging goed. Ik heb daar jaren last van gehad. Ik wilde liever focussen en in één ding uitblinken.
 
Je koos voor acteren.
 
Ja, en eigenlijk heb ik daarmee een beroep gekozen waarin ik het meest tegengewerkt kon worden. Zo’n donker type als ik konden ze toch geen normale Nederlandse rol geven? Dat deden ze dan ook niet. Alle aanbiedingen waren stereotiep: het mishandelde meisje, de slecht Nederlands sprekende huisvrouw, noem maar op. Het ergste vind ik dat dit tot op de dag van vandaag zo gaat. Mijn dochter kreeg een paar jaar geleden dezelfde scripts die ik twintig, dertig jaar geleden moest spelen. Precies dezelfde! En eigenlijk is het nog duizend keer erger geworden, met al die Islamitische thema’s.
 
Wat kunnen we daaraan doen?
 
Ik ben erg geschrokken toen ik er achter kwam dat ik niet boos op Ayaan (Hirsi Ali, red.) moest worden, maar dat zij slechts iets heeft blootgelegd dat er al in zat. Dat de angst zo’n 500 jaar teruggaat, toen de Ottomanen Wenen bereikten. Dat heeft natuurlijk elk land, maar als burger van Nederland ben ik wel kritisch en boos op mijn medeburgers die doen alsof ze heel tolerant en goed zijn maar ondertussen met een wijzend vingertje naar alles en iedereen behalve naar zichzelf kijken. Dat meten met twee maten. Oh, wat heb ik een hekel aan meten met twee maten! Het is echter vaak zo dat als ik zeg: het klopt niet, we meten met twee maten, dan neem ik het op voor de moslims. In deze discussie word ik niet als volwaardig burger gezien. Als ik over Geert Wilders of Ayaan Hirsi Ali wil praten, word ik pertinent niet gehoord. Dat ik me het recht toe-eigen om daarover te discussiëren is blijkbaar niet vanzelfsprekend. Als ik als columniste kritiek had op het Nederlandse onderwijs, dan moest ik maar oprotten. 
 
Je mag niet kritisch zijn?
 
Het is de vraag om dankbaarheid die ik ook zag bij Vluchtelingenwerk. Dat was op het beschaamde af. Onredelijk, onmenselijk soms. Terwijl 99 procent dankbaar is! Alsof je in een paradijs terechtkomt. Je krijgt zakgeld in dit land! Ongekend! Je begrijpt het niet, maar je bent zo dankbaar. Ik krijg daar nog kippenvel van. Totdat je erachter komt: je mag niks doen. Je wordt murw, depressief. Dan krijg je pilletjes, sociale hulp. Maar het meest gezonde wat een mens nodig heeft, gerespecteerd worden, gezien worden, meedraaien, dat mag niet.
 
Merk je dat nog steeds, zo’n houding?
 
Ik denk dat het erger, ongenuanceerder is geworden. Maar ik heb het over het massageluid. Want duizenden burgers, hulpverleners zijn fantastisch! Zij hebben het hart op de goede plek. Er zijn zoveel goede initiatieven in dit land. Vanuit mijn beroep zie ik zoveel waarvan ik denk: wat jammer dat het niet op de televisie komt, of in de media of in de Kamer. Zo krijg ik op woensdag thuishulp van een ongeveer 60-jarige Nederlandse vrouw en haar 23-jarige Marokkaanse stagiaire met een hoofddoekje. Zij had een vouwfiets omdat ze niet zo goed kon op- en afstappen op een gewone fiets. Toen heeft Ria haar op een woensdagochtend fietsen geleerd. Het duurde een paar weken voordat ze niet meer van de fiets afsprong maar gewoon kon afstappen. Aan de andere kant, met haar 23 jaar, haalt ze makkelijk informatie van internet en bemoeit ze zich met aanvragen bij het UWV. Ze leren van elkaar. 
Aan de andere kant vind ik het ook heel goed dat na de clash in 2001, die natuurlijk heel erg was, mensen wel meer naar buiten zijn gaan treden. Zowel de aanvallende als de verdedigende kant. Toen kwamen het ramadanfestival en uitwisselingen. Dat hebben mensen nodig. Want er zijn ook Nederlandse mensen die hun eigen buurt hebben zien verzwarten. Sommigen zijn huilend naar Vinexwijken in Purmerend getrokken zodat ze weer tussen hun eigen volk woonden. Dat heeft 80 procent echt niet uit racistische overwegingen gedaan.
 
Wat heeft Nederland nodig?
 
Vooral alertheid. Toen Maxima in Nederland kwam was mijn zoon ongeveer elf. Ik stelde zijn vraag in een van mijn columns: ‘Mama, Máxima is toch ook een allochtoon?’ Briefschrijvers reageerden met ‘you wish’, maar men vergat te zien dat Máxima, voordat ze voorgesteld werd aan het Nederlandse volk, uit een rijke elite kwam, universitair geschoold was, in New York woonde en een topbaan had, minstens twee talen al vloeiend sprak en twee jaar lang intensief een Nederlandse cursus kreeg. De politiek of anderen hadden alerter moeten zijn dat zij niet zomaar met de eerste de beste vluchteling vergeleken kon worden, terwijl veel mensen zeiden ‘Nou, die Turken zijn hier al 36 jaar. En zij in twee jaar, moet je zien! Het kan wel!’ Máxima was zelf degene die nuances maakte. Daarom kon ze ook zeggen: als jullie wel kansen krijgen, pak ze! Ik neem het jullie kwalijk als je dat niet doet.
 
Je hebt vorig jaar een ernstig ongeluk gehad. Kijk je anders naar de wereld, nu je in een rolstoel zit?

Ik hoorde van andere revalidanten dat er vooral over je heen gekeken wordt. Dat is niet mijn ervaring. Ik merk juist dat 80 procent van de mensen sympathie heeft en graag wil helpen, bijvoorbeeld met de deur open houden. Oogcontact maken helpt daarbij. Dat doet anderen ook goed. Die weten vaak niet waar ze heen moeten met hun ogen. Maar in het revalidatiecentrum heb ik ook wel momenten gehad dat ik het moeilijk vond om door de verminking van mensen heen te kijken, terwijl ik me realiseerde dat ik open moest zijn. Iemand met een verminkt gezicht ziet zichzelf natuurlijk niet zoals wij hem zien. Zijn ‘ik’ is hetzelfde gebleven. Ik had soms vijf minuten nodig om te kijken en te wennen. Dan zag ik de mens achter de verminking. Zoals ik de mens achter politici wil en kan zien. Ik kan ook best met Geert Wilders een kopje koffie drinken en hem heel schattig vinden als hij wat verlegen lacht. Dat is oefening. En misschien wel onze plicht om ons daar allemaal een klein beetje in te oefenen.
 
Dat klinkt een beetje door al je verhalen heen: zie de mens achter het uiterlijk.
 
Ja, nu ik het zo aan het vertellen ben, zie ik ook de linken. Als je op zoek gaat naar de persoon zie je wie iemand is en wat iemand kan. Pas dan kun je verbinden. Ik heb vanuit Amerika een deel van het EK gevolgd. Daar viel mij op hoe neutraal het commentaar was over alle landen. En op straat werd ik vrij van elk waardeoordeel over Turkije benaderd. Zoveel openheid, ik wist niet wat me overkwam! Maar ook de leraar die vroeger het talent van mijn zus zag en mijn thuiszorgcollega’s die van elkaar leren, zijn in staat om de mens te zien.
Dat blijkt in de praktijk echter lastig. Als een werkgever nieuwe mensen zoekt, dan zoeken ze in hun eigen kennissenkring, niet in de echte, grote vijver. Een Marokkaanse werkgever vindt sneller een Marokkaanse collega, een Nederlandse werkgever een Nederlander. Zo kom je niet tot diversiteit. Dat moet veel bewuster ingezet en uitgedragen worden.