VERKIEZING – Kandidaten |
![]() |
Adriaan van DisGeïnterviewd door Lieke Boersma Adriaan van Dis werd geboren in 1964 in Bergen aan Zee in een gezin van Indische afkomst. Hij studeerde Nederlands en Zuid-Afrikaans aan de Universiteit van Amsterdam.
Vanaf 1983 werd hij landelijk bekend met zijn werk als schrijver en presentator. Hij schreef in de jaren daarna romans, novelles, verhalen, essays, poëzie en toneelstukken. Van zijn hand verschenen onder andere Nathan Sid (1983), Indische Duinen (1994) en Familieziek (2002).
Van Dis presenteerde het literaire programma Hier is Adriaan van Dis, een programma waarin binnen- en buitenlandse schrijvers werden geïnterviewd. Ook was Van Dis het afgelopen jaar te zien in de documentaire Van Dis in Afrika waarin hij verslag doet van een reis door Zuid-Afrika, een land waarbij hij zeer betrokken is. Voor dit programma ontving hij de Nipkowschijf 2007-2008.
Van Dis woont en werkt sinds mei 2003 in Parijs.
Kunt u iets vertellen over uw jeugd en de omgeving waarin u bent opgegroeid?
Ik ben opgegroeid in een huis van mensen die een grote wereldreis achter de rug hadden: mensen die wat van de verre wereld wisten, die verantwoordelijkheden hadden gedragen, die niet schrokken van het woord moslim of Hindoestaan. Ze kwamen uit Indië, werden repatrianten genoemd, maar hun Patria (vaderland, red.), Nederland kenden ze nauwelijks. Ze konden de spoorstations opdreunen en de volksliederen, maar in feite was Nederland voor hen een nieuw land. Ik ben een kind dat in de vrede geboren is en dat klaargestoomd werd voor dat nieuwe land, maar tegelijkertijd ben ik sterk opgevoed met allerlei verhalen over dat oude land. Mijn moeders eerste man was een zeer donkere Indo, uit dat huwelijk ontsproten drie bruine meisjes. Later trouwde mijn moeder met een blekere Indo – mijn vader. Ik heb dus drie bruine halfzusters en ben het roze varkentje uit de familie. Als kind wilde ik graag bij het Indië van mijn ouders en zusters horen. Zij hadden, net als de andere bewoners in ons huis, in een Japans interneringskamp gezeten –het was een ervaring waar ik jaloers op was, hoe vreemd het ook klinkt.
In het repatriantenhuis waar ik opgroeide, ontpopte ik me onbewust als jongetje tussen twee culturen - tussen de rijstekorrel en de aardappel. Ik geloof dat het me zeer gevormd heeft.
In welk opzicht heeft het u gevormd? Vond u het moeilijk om op te groeien tussen twee culturen?
Voor een kind is niets moeilijk want die valt in een wereld en die denkt dat dat de normale wereld is. Als je er later op terug kijkt besef je hoe anders het was en dan zie je ook overeenkomsten met de huidige migranten. De mensen uit Indonesië of uit Indië spraken weliswaar goed Nederlands en weken niet af in zaken des geloofs – ze waren gewoon huis-tuin-en-keuken katholiek of protestants, dus op dat punt waren er niet zulke grote verschillen. Maar er waren toch grote verborgen verschillen in achtergrond en in mentaliteit. Alleen werd daar buitenshuis niet over gesproken, men paste zich aan, stak de armen uit de mouwen en hielp mee aan de opbouw van Nederland. Er was dan ook werk voor iedereen. Bij een volgende generatie komen ook de verschillen naar boven. Pas nu wordt er over de kille ontvangst in Nederland gesproken, over de betutteling en bevoogding en het wantrouwen. De mensen uit Indië konden ook hun verhaal over de oorlog niet kwijt. Nederland zat niet te wachten op mensen die een kolonie én een oorlog hadden verloren. De Nederlanders waren vol van hun eigen oorlog. Nederlanders zijn er erg goed in anderen de les te lezen.
Vindt u de dingen die u heeft meegemaakt in uw jeugd weer terug in de samenleving van nu?
Mijn betrokkenheid is eruit voortgekomen. Ik ben opgevoed met het besef dat de wereld groter is dan Nederland. In deze tijd van globalisering waarin nieuwe economieën zich manifesteren, andere culturen aandacht en rechten opeisen, neigt Nederland er naar zich meer dan ooit naar binnen te keren. Alle informatie die op ons afkomt is kennelijk zo beangstigend dat we ons zijn gaan afvragen wie we eigenlijk zijn. En als we dat niet weten verzinnen we het. Bulderende canons worden op ons afgevuurd. We moeten trots zijn op Nederland. Het kan geen kwaad om te weten wat je wortels zijn, maar je moet wel oppassen dat je met het bezingen van je eigen grootheid geen mensen buitensluit. De moderne Nederlander heeft meer dan één identiteit. Je kunt je verschillende levenssferen uitleven. Stedeling zijn en Pieterpadloper. Europeaan én Tukker. Turk en Nederlander. Het is niet en/of, maar en/en. Je kunt je vasthouden aan allerlei traditionele gebruiken van je thuisland en ook een swingende Nederlandse rapper zijn. Het is aan de mensen zelf om het tempo te bepalen. Verplicht integreren heeft eerder een tegendraads effect. Als je een bepaalde dracht verbiedt, gebruiken bespot, worden het vaak symbolen van identiteit. Dat merk je als je in een hele grote stad woont zoals Parijs, een wereldstad, daar wonen zoveel mensen en zoveel culturen. Hoe meer ze in het nauw worden gedreven, hoe meer ze zich aan hun cultuur hechten. De enige taak die een regering heeft is zijn burgers goed te scholen. Alleen goed onderwijs garandeert op den duur een betere toekomst in het nieuwe land. Niet door ze allerlei bepalingen op te leggen, zoals het afnemen van hoofddoeken of het verbieden van boerka’s.
U hebt een scherp oog voor die problemen in de samenleving; hoe komt dat?
Ik heb me er altijd mee bezig gehouden. Toen ik student was, heb ik liftend een grote reis gemaakt richting India, voor een appel en een ei. Dat is een waterscheiding in mijn leven geweest. Al reizend werd ik geconfronteerd met de ambities en verlangens van andere volken. Mensen die ook willen deelnemen aan onze rijkdom en verspilling. Veel van het derde wereld ongenoegen kon je al dertig jaar geleden zien aankomen. In China studeren elke maand drieduizend ingenieurs af en wij schilderen onze straten oranje met een blikje bier aan de lippen. Misschien moeten we een beetje meer ons best doen. Maar we vinden het kennelijk aangenamer ons fuivend voorbij te laten streven door China en India en over niet al te lange tijd door een Afrika dat eindelijk beseft hoe rijk het is aan grondstoffen.
Dus eigenlijk zegt u dat mensen meer om zich heen moeten kijken?
Kijken en minder bang zijn. Je openstellen voor de veranderingen; het als een uitdaging zien en je niet afsluiten voor de vreemdelingen onder ons die na twee generaties –ongeacht hun uiterlijk of achternaam- allang geen vreemdelingen meer zijn. Dan heb ik het niet over meepraten, geen politiek correcte praatjes van: goh wat ontzettend leuk zo’n Suikerfeest. Nee, ik bedoel het volgende. Als ik in een taxi zit en ik zit naast een jongen die zegt dat hij Turk is, hoewel hij in Nederland is geboren, net als zijn moeder, dan zeg ik ‘wat raar dat je dan nog steeds zegt dat je Turk bent’. Je bent een Nederlander, je moet je niet apart laten zetten. Je hebt wel die Turkse cultuur thuis, die kun je koesteren, maar je bent ook een Nederlander. Dat roept soms stevige discussies op.
Natuurlijk moet je kritisch zijn waar het achterlijke gebruiken betreft, maar de verandering zal in eigen gelederen moeten ontstaan. Zo zal de Islam onder invloed van de veranderende mentaliteiten in de Europese voorsteden wel moeten moderniseren. De Islam zal net als het Christendom exegese van geheiligde teksten moeten toestaan. Je ziet daar de eerste tekenen al van. In Nederland is bijvoorbeeld de eerste poldermoskee – voor gelovigen en niet gelovigen - al aangekondigd.
|
