VERKIEZING – Kandidaten |
![]() |
Doekle Terpstra
Geïnterviewd door Sanne
‘Kom maar naar boven, dan kunnen we snel beginnen!’ Doekle Terpstra hangt zwaaiend boven de balustrade in het prachtige pand van de HBO-raad in Den Haag. Een hartelijke handdruk en een kopje thee later gaan we met Dhr. Terpstra, voorzitter van de HBO-raad, initiatiefnemer van Benoemen en Bouwen en ex-vakbondsleider van het CNV, in gesprek.
Omdat we u graag willen portretteren zal het een persoonlijk gesprek worden. We beginnen daarom met uw jeugd: waar bent u opgegroeid?
Oké, mijn doopceel wordt gelicht! Ik ben geboren en getogen in een klein dorpje in Friesland: Witmarsum. Ik heb dat dorp gekoesterd. De inwoners hebben het voortouw genomen op het hele generaal pardon in Nederland. Er was een asielzoekerscentrum en het gemeentebestuur heeft zich zeer verzet tegen de uitzetting van asielzoekers. Ik was dus heel erg trots op mijn geboortedorp!
Ik woonde in een groot gezin, zo’n gezin van kerk, staat en samenleving. Ik kom uit een gereformeerd, synodaal milieu. Dat is echt een milieu waarin je staat in de traditie van religie en levensbeschouwing, maar waar je tegelijkertijd met het gezicht naar de wereld staat. Je neemt verantwoordelijkheid voor de plekken waar je komt. Dat idee heb ik altijd meegenomen en dat koester ik ook.
U bent de oudste van negen kinderen (zeven eigen en twee pleegkinderen). U heeft daardoor als voortrekker, in de zin van het aanpakken van veel dingen, in allerlei rollen kunnen oefenen.
Krijgt dat een vorm in wat u nu doet? Nee, zo heb ik het niet ervaren. Kijk, ik had geen idee wat ik wilde in het leven, ik wist ’t gewoon niet. Ik heb de sociale academie gedaan. Daar ben ik naartoe gegaan vanuit een hele naïeve gedachte, namelijk: ‘ik wil mensen helpen’. Maar de werkelijkheid bleek weerbarstiger. Ik bleek ook niet geschikt voor dit werk. Toen heb ik gekozen voor arbeidsverhoudingen, Personeel en Arbeid. Tijdens die opleiding ben ik geweldig geraakt, gepakt door het thema arbeid. De vraag ‘wat betekent werk voor mensen?’ vond ik ongelofelijk fascinerend. Ik kwam er heel vlug achter dat dat alles te maken heeft met wie je bent, met identiteit, met meedoen, je talenten ontwikkelen. Heel snel daarna kwam ik in aanraking met vakbondswerk. Daar kwam de klik. Toen dacht ik: dit is het, hier wil ik voor gaan.
Is dat een moment geweest of is dat heel geleidelijk gegaan?
Het is gegroeid. Dat heeft ook te maken met mijn persoonlijke geschiedenis. Mijn vader was een klein boertje. In de jaren zestig kwam het Europese proces van schaalvergroting. Die kleine boertjes hielden dat niet vol. Mijn vader moest stoppen met zijn boerenbedrijf en dat heeft hem ongelofelijk veel verdriet gedaan. Sommigen zeggen dat mensen nooit slachtoffer kunnen zijn, maar dat is niet zo. Je kunt slachtoffer zijn van datgene wat je overkomt in het leven, zonder dat je het kunt beïnvloeden. Tijdens mijn academieperiode realiseerde ik me dat mijn vader niet alleen slachtoffer was omdat hem zijn boterham werd afgenomen, want dat was wel overkombaar. Wat hem vooral werd afgenomen was een deel van wie hij was.
In die zelfde periode was ik een van de grote criticasters van de vakbeweging. Je hebt van die notoire brievenschrijvers in de krant. Je ziet ze nog wel eens. Ik was zo’n zeurpiet in die periode. Ik vond het geweldig! Ik zat altijd te zeuren, met name op het CNV.
Wat deed het CNV niet goed volgens u?
Ik vond dat ze veel actiever, radicaler moesten zijn. Meer actiebereid. Ik vond dat de vakbeweging moest zorgen dat mensen niet tussen de wal en het schip kieperden, maar dat ze hun plek op de arbeidsmarkt behielden.
Ik was 24 jaar, ging solliciteren en wilde alleen maar werken bij CNV. Tot mijn stomme verbazing kreeg ik een oproep en tot mijn nog grotere verbazing werd ik aangesteld in Rotterdam. Daar heb ik het vakbondswerk geleerd in al zijn facetten. Dan gaat het erom hoe je zelf in de wind staat op het moment dat die wind frontaal op je afkomt. Nou, daar sta je dan met die robuuste, geblokte havenwerkers en jij mag daar als bestuurder leiding aan geven. Dat was wel heftig. De vrijblijvendheid voorbij.
Heeft u op die manier niet toch kunnen waarmaken wat ooit uw reden was om naar de sociale academie te gaan: om mensen te helpen?
Ja, ja. Dat is het grappige ervan. In plaats van die naïeve gedachte over mensen helpen leerde ik mensen in hun kracht te helpen. Dat is wat anders, want dan erken je de verantwoordelijkheid van mensen zelf. Ik denk dat daar ook wel mijn kracht zit. Ik ben voortdurend bezig met de vraag ‘welke bijdrage kan ik zelf leveren, op mijn eigen manier, met mijn talent aan dat debat op het individuele niveau, maar ook op het maatschappelijke niveau?’ Ik ben heel blij dat ik op dat gebied een talent heb dat herkend wordt en dat ik een plek kan geven. Niet alleen praten over verbinding in de samenleving, nee, maak het ook maar waar. Zoals ik dit voorjaar de bemiddeling op de politie CAO heb mogen doen. Dat vind ik dan prachtig! Ik heb de kans gekregen om dat manifest te maken. Dat ga ik ook niet uit de weg. Maar soms is het hartstikke moeilijk hoor. Dat gaat niet vanzelfsprekend.
Welke competentie is essentieel om te blijven staan bij het varen tegen de wind in?
Jezelf blijven. Authentiek blijven wie je bent en jezelf niet verliezen. Maak je maar kwetsbaar en blijf bij het verhaal waar je in gelooft. Mensen denken dat kwetsbaarheid en kracht twee fenomenen zijn met een grote wal ertussen. Ik kwam erachter dat dat helemaal niet zo is. Ze hebben alles met elkaar te maken. Op het moment dat je vertrouwt op je eigen verhaal en dat koppelt aan waar je mee bezig bent, begrijpen mensen ook waarom je dingen doet. Daardoor krijgt het veel meer kracht. Dus op het moment dat je het aandurft om jezelf kwetsbaar te maken, kan het heel zegenrijk werken. Begrijp je wat ik bedoel?
Ja, u koppelt de persoonlijke kracht heel sterk aan professionaliteit
Ik geloof erg in de idee van persoonlijke kracht en professionaliteit. Professionaliteit is niet een kunstje. Je kunt natuurlijk wel dingen leren: je gaat naar school, daar vergaar je kennis. Maar professionaliteit heeft ook alles te maken met wie je bent, je identiteit. Zoals het verhaal van mijn vader. Door je kwetsbaar te maken kun je uiteindelijk bestuurlijk en professioneel heel krachtig worden.
Ik geloof in de uniciteit van mensen. Ieder mens heeft onnoemlijk veel potentieel, maar vaak zie ik dat mensen heel bescheiden met hun talent omgaan. Ze doen zichzelf tekort door zich te plaatsen naast het potentieel van de ander. Als ik dan een bijdrage kan leveren om te helpen in het ontdekken waar de kracht zit, en als ik dat dan bestuurlijk kan vertalen naar bijvoorbeeld onderwijs, dan voel ik mij gemotiveerd en uitgedaagd om dat te doen.
Aan de andere kant kun je vaak de grote dingen ook weer koppelen en spiegelen aan je eigen verhaal. Ik heb bijvoorbeeld een broer die wat zwakker begaafd is door een ongeluk, maar hij doet fantastisch goede dingen. Hij staat gewoon als burger in de samenleving. Ik vind het bijna een verplichting om zijn talent, dat hij zelf niet kan benoemen, te benoemen. Door de jaren heen heb ik de positie en mogelijkheid gekregen om dat maatschappelijk te vertalen. Ik voel me in dat opzicht een zeer bevoorrecht mens, dat ik dat mag doen.
Zou het Nieuw Cultureel Burgerschap een manier kunnen zijn om het persoonlijke met het maatschappelijke te verbinden?
Ik ben zelf op zoek naar de vraag van het nieuwe burgerschap. Whatever it may be, want het is in zekere zin ook wel een abstractie. Zoals ik heb verteld, sta ik in de traditie van dat gereformeerd synodale. Daar zit erg het idee in van verantwoordelijkheid. Je kunt verantwoordelijkheid op verschillende manieren zien. Verantwoordelijkheid als een begrip van zelfredzaamheid: jij moet het doen in het leven. Je kunt verantwoordelijkheid echter ook op een andere manier pakken door te zeggen ‘hoe verhouden jij en ik ons ten opzichte van elkaar in onze samenleving?’ Dan is verantwoordelijkheid bijna een begrip van solidariteit. Verantwoordelijkheid gaat niet alleen over jou, maar ook over mij. Dat zoekt door de tijden heen altijd weer naar een nieuwe invulling. Als ik kijk naar het huidige tijdsgewricht, dan heb ik het gevoel dat we heel veel verantwoordelijkheid hebben verstatigd. We hebben veel verantwoordelijkheid in handen gelegd van autoriteiten: mensen vinden dat hun probleem opgelost moet worden door iemand anders. Daardoor is het burgerschap afgenomen. Als je het hebt over nieuw burgerschap, dan denk ik dat burgers weer de kunst moeten verstaan om na te denken hoe zelf verantwoordelijkheden te nemen. Ik denk dat dat de grote vraag voor de komende jaren is: ‘hoe kunnen we het burgerschap weer invullen?‘
Dus u ziet verantwoordelijkheid als een van de belangrijkste aspecten?
Ja. Verantwoordelijkheid is voor mij een van de sleutelwoorden van het bestaan. Het hangt nauw samen met de discussie van vrijheid. Als je het beeld van sommige politici en columnisten op je in laat werken, dan heeft vrijheid geen grenzen. Terwijl ik denk dat iets alleen maar kan bestaan als het ook een antipool heeft. Zonder antipool is vrijheid niets. Als je het hebt over de vrijheid van meningsuiting, is het ongelofelijk gecompliceerd om de grenzen aan te geven. Maar voor mij is klip en klaar dat vrijheid van meningsuiting ook te maken heeft met verantwoordelijkheid in meningsuiting. Vraag me niet precies hoe je dat lijntje moet knippen, dat weet ik ook niet.
Als ik kijk naar samenleven, hoe het was, hoe het is en hoe het morgen zal zijn, dan is het volgens mij heel eenvoudig. Mensen hebben mensen nodig. Dat zal zo blijven. Ik noem dat verantwoordelijkheid en solidariteit. Dat hele simpele idee dat mensen elkaar nodig hebben en dat ze zoeken naar vormen van verbinding. De kunst is om het niet te ontkennen, maar om het te accepteren als een deel van het leven. Ik vind het prachtig om daar over na te denken en daar gestalte aan te geven. Waarom? Omdat ik op die manier het gevoel heb dat ik niet alleen een maatschappelijke brug sla maar, om terug te komen op de gezinssituatie, ook een brug sla naar mijn broer. Dat hij een aantal gaven heeft die ik niet heb en vice versa. Ik wil graag de brug blijven slaan tussen wat er bij hem gebeurt en wat er bij mij gebeurt. Op die manier vertaal ik dat maatschappelijke aspect ook.
|
